Het leven van Abraham Hans

Zijn studies en eerste stappen in het onderwijs

In 1896 verwierf de leergrage Hans een studiebeurs aan de befaamde normaalschool "Groen van Prinsterer kweekschool" te Doetinchem in de Nederlandse provincie Gelderland waar ook zijn broer Hendrik sedert 16 oktober 1894 studeerde.
Deze beurs betekende kosteloze studie en gratis verblijf in de kostschool. Het was de jonge Abraham een ware lust om er te studeren, maar hij had er ook veel heimwee naar zijn geliefd Vlaanderen, zo erg zelfs dat hij steeds een zakje met Vlaamse aarde bij zich droeg.

"Het was gelukkig geen strenge kostschool", schrijft Hans.
"We zaten er niet opgesloten. we hadden niet altijd een surveillant die ons bewaakte. We mochten veel alleen wandelen, zo onder kameraden. En 's zondagsnamiddags ging ik met een vriend veel op ontdekkingsreis uit, naar de heuvel van Montferland, de Hettenheuvel of op de heide en door de dennebossen.
We kregen kameraden die ons vertelden van Friesland en Zeeland of van eenzame eilanden als Urk en Terschelling. En onbewust hebben we daar ook heel wat stof opgedaan die ons later, bij nader onderzoek, goed te pas kwam en waaruit we voor een volksboek als "Havenschuimers" veel hebben geput".

Tijdens de vakantie was hij bakkersknecht; zijn vader had samen met twee vrienden een bakkerij overgenomen.
In 1900 behaalde hij het Nederlands onderwijzersdiploma te Arnhem. Als onderwijzer stond hij eerst in Sluiskil, een dorpje nabij Terneuzen, doch hij behield zijn eerste woonplaats aan de Trakelweg te Roeselare.
Hij kwam op 21/11/1902 uit Terneuzen naar Roeselare terug en vertrok op 11/01/1903 als onderwijzer naar Sluis.
Ondertussen legde hij op 13/07/1901 een examen af voor de Gentse normaalschool om het Belgisch onderwijzersdiploma te verwerven.
Naast dit laatste diploma behaalde hij op 10 augustus 1904 aan de Gentse Rijksnormaalschool het diploma leraar Nederlands voor het middelbaar onderwijs, lagere graad. Met zijn vier diploma's op zak trok hij uiteindelijk naar het Stedelijk Antwerps onderwijs. Op 19 jarige leeftijd, namelijk op 30 augustus 1901, ruilde hij de Nederlandse nationaliteit voor de Belgische. Dit kon hij doen volgens artikel 9 uit het Burgerlijk Wetboek, aangevuld met artikel 1 van de wet van 16 juli 1889 houdende de wetgeving op de naturalisatie. Op 30 september 1904 keerde Abraham Hans vanuit Sluis naar Roeselare terug waar hij zijn vader bijstond als hulponderwijzer in het protestants schooltje aan de Mandellaan.
De kinderen Hans groeiden op en zochten vanuit Roeselare een levensweg.
Abraham verliet de Rodenbachstad op 30 oktober 1905. Drie jaar na zijn aanvraag kon hij als "Tussentijdse onderwijzer" in dienst te treden te Antwerpen. Hij vestigde zich in de Duivenstraat 43 te Kontich.
Zo kwam hij op de lijst der benoembare onderwijzers. Hij ging met de volle goedkeuring van zijn vader naar Antwerpen.
Zijn vader had nu alleen de verantwoordelijkheid voor de school te Roeselare.
Om deze materieel in stand te houden moest hij regelmatig op collectereis naar Nederland hetgeen, hem zwaar viel op zijn leeftijd.
Daar Abraham nog steeds niet benoemd was, wilde vader Hans geen stappen ondernemen om het schooltje over te laten omdat de mogelijkheid bestond dat zijn zoon naar Roeselare zou moeten terugkeren. Een benoeming van zijn zoon, waarom beiden bij prof. Paul Fredericq verzochten, zou aan deze moeilijke toestand een einde maken.
Op 5 december 1905 verliet de familie Hans Roeselare. Ze volgde dochter Johanna, die gehuwd was met Robert Jonckheere, een welvarend handelsreiziger. Deze vestigde zich te Kontich omwille van de gemakkelijke spoorverbindingen.
Spoedig volgde de gehele familie omdat de ouders nu moesten onderhouden worden door de kinderen daar er nog geen sociale zekerheid bestond en bijgevolg geen pensioen werd uitbetaald.
Daarnaast was Bastiaan Hans niet erg tevreden over de schoolmeestersloopbaan die hij van Henri Tant had bekomen. De "Collecte" waarvan hij moest leven berokkende hem steeds meer moeilijkheden Aan dominee De Bruyn, sedert 28 maart 1897 predikant te Roeselare, schreef kerkeraadslid Bastiaan op 20 september 1905 het volgende:

"Toen ik in oktober des vorigen jaars met behulp van mijnen zoon de nieuwe inrichting opende, had ik gedacht op die wijze nog vele jaren rustig te kunnen voortwerken en alzo mede te arbeiden aan de bloei dezer gemeente... Het onverwacht vertrek van mijn zoon en de moeilijkheden aan de collecte verbonden noopten mij tot het besluit om mijn arbeid aan een ander over te laten".

Hij vond ook dat hij genoeg gewerkt had en dat zijn talrijke kinderen maar eens voor hem mochten zorgen.

 

 











 
Het leven te Roeselare   De familie verhuist naar Kontich
   

© 2004 - 2015 Protestants Historisch Museum Abraham Hans
Disclaimer