Het leven van Abraham Hans

Herinneringen aan zijn jeugd

Als gevolg van de toen heersende schoolstrijd die het gehele land beroerde en de katholieken en liberalen tegen elkaar opzette, diende het schoolmeestersgezin in januari 1887 te verhuizen naar Roeselare, want te Horebeke werd het protestantse schooltje door het tegenwerkend gemeentebestuur gesloten.
De stok die al lang gezocht werd om het schooltje te kelderen was hiermee direct gevonden.
De kleine protestantse gemeenschap op de Geuzenhoek kon niet langer instaan voor het onderhoud van het grote onderwijzersgezin dat eigenlijk door armoede verdreven, elders onderdak zocht en dit vond te Roeselare.
De kerkfabriek van de Geuzenhoek diende naast het onderhoud van het schoolhuis dat gebouwd werd in 1820, ook nog in te staan voor het onderhoud van hun eigen kerken, nl de "Oude Kerk" (1795) en de "Nieuwe Kerk" (1872). Rond de Oude Kerk lag het stemmige kerkhof.
In Horebeke was er in oude tijden alleen een Rooms-Katholiek kerkhof en daar waren die protestanten uiteraard niet welkom.
Zij zouden het trouwens zelf niet gewild hebben. Men begroef toen zijn doden ieder in zijn eigen tuin (Lochting).
Het gebeurde wel eens dat fanatieke katholieken deze graven schonden en de kist 's nachts terug aan de voordeur zetten.
Het is dan ook pas rond 1824 dat het protestants kerkhof, onder toezicht van de koning der Nederlanden Willem I wordt aangelegd. In de muur van het kerkhof herinnert een gedenksteen nog aan deze gebeurtenis.
Ook twee kinderen van het schoolmeestersgezin werden op dit kerkhof begraven. Margareta op 8 november 1886 en Egberta op 6 november 1893. Ondanks de moeilijke jaren die de familie Hans te Horebeke heeft gekend, kijkt de schrijver Abraham er later vol heimwee op terug. Hij schrijft in "Uit mijn leven":

"Mijn ouders spraken ook op latere leeftijd nog graag over hun verblijf bij die eenvoudige boerenbevolking. En het waren kleine boeren, die hard moesten wroeten voor het dagelijks brood. Later zijn ze welvarender geworden.
Maar in die tijd van mijn ouders was het er droevig gesteld. Ik spreek nu ook van de tweede helft van de 19de eeuw. De wegen geleken slijkpoelen, temeer daar we op het gehucht Korsele woonden, een buitenwijk. Als vader en moeder 's avonds uitgingen en de maan scheen niet, dan namen ze een lantaarn mee. De mensen sjouwden tot laat in de avond".

Abraham Hans zou in zijn later leven zijn geboorteplaats nooit vergeten. Hij beschreef ze liefdevol in veel van zijn werken en hij keerde er steeds graag terug. Hij verbleef er dikwijls bij boer Blommaert die hem zeer genegen was. Vol weemoed schrijft Hans hierover:

"In de vakantietijd ging ik ook veel naar mijn geboorteplaats Sint-Maria-Horebeke. Toen ik een jonge jongen was, hoorden we nog niet van padvinderij, kamperen, schoolreizen of jeugdherbergen. En toch was het ook voor ons gezond om een tijd in de volle natuur te leven. Ergens in "pension" gaan aan de kust of in de Ardennen, daar was thuis geen geld voor. Maar toch wisten mijn ouders raad. Ik mocht kosteloos naar een hoeve te Horebeke, mits ik de koeien zou wachten en werkzaamheden verrichten die de boer mij opdroeg. Die landbouwer heette Pieter Louis Blommaert. Hij is zeer oud geworden en pas in 1935 gestorven. Hij was vergrijsd in de stoere landarbeid. Die voorwaarden nam ik graag aan en nog altijd denk ik met groot genoegen terug aan die vakantieperiode. Wat een genot op blote voeten te lopen, behalve 's zondags. Om zes uur trok ik met drie koeien naar de weide. Daar kwamen kameraden bij me. We plasten bij hitte in een put... ook wel in de Molenbeek aan de Smarre. We speelden en ravotten. De donderdag was een gewichtige dag. Dan bleven de koeien in de boomgaard van het hof en mocht ik mee naar de weekmarkt te Oudenaarde. We vertrokken al om vijf uur, een hele groep van het gehucht Korsele. Gewoonlijk moest ik helpen trekken aan een kruiwagen die de boer duwde en waarop zijn waren lagen. Die hulp was niet overbodig want de weg over Mater en Volkegem klom dikwijls steil naar boven. Altijd verlangde ik naar een hoog punt vanwaar ik Oudenaarde, het oude stadje, zo schilderachtig in de vallei kon zien liggen: de Walburgatoren en Hanske, het krijgertje van de stadhuistoren, boven de daken. Onbewust nam ik ook de schoonheid van het heuvelachtige Zuid-Oostvlaanderen in mij op.
Hadden we dorst, wel we kenden de plaatsen waar een fontein, een bron met heerlijk zuiver water uit de grond borrelde.
Vele jaren later heb ik nog dikwijls diezelfde wandeling gemaakt en volksromans als "De gek van de Molenberg", "Het spook van de Wolvenburg", of "De rode hand" en boekjes van de wekelijkse kinderbibliotheek in het land van Oudenaarde geplaatst. Te Sint-Maria-Horebeke maakte ik nader kennis met het harde boerenleven in Vlaanderen.
Wat werd er gesjouwd en gewroet op de akker en in de stal. En sommigen konden het niet houden op het land. Ze trokken naar de stad, naar Roeselare of naar Noord-Frankrijk, waar de hoge fabrieksschouwen rookten.
De boeren die het wel houden konden hadden het ook zwaar en het was een welkome bijverdienste, toen in de streek het handschoennaaien voor vrouwen en dochters ingevoerd werd.
Toch hielden de landbouwers van hun bedrijf. Ik deed mijn best bij Pieter Louis. Hij was zeer tevreden over mij en ik hoorde hem eens tot een kennis zeggen hoe jammer het was dat zulk een jongen moest studeren. Hij oordeelde dat er in mij een goede landbouwer stak.
Maar na de grote vakantie trok ik dan terug naar school, echter met wat heimwee naar het leven op het land".

 

 











 
 Zijn jeugd te Sint-Maria-Horebeke   Het leven te Roeselare 
   

© 2004 - 2015 Protestants Historisch Museum Abraham Hans
Disclaimer